Verloren Bieren – 43 – Nederlandse Hop (2)

De vorige keer zagen we dat er nog tot eind negentiende eeuw er in Nederland hop verbouwd werd, met name ten noordwesten van Den Bosch in de streek rond Vlijmen en Heusden, en net over de provinciegrens in Gelderland. Ook het noordelijkste puntje van Drenthe heeft lang veel hopteelt gekend. Maar werd die hop nou ook nog een beetje door de Nederlandse brouwers gebruikt? Zijn dit magische Nederlandse oerhoppen die ons bier een unieke smaak gaven die nu voorgoed verdwenen is? Euhm, dat valt tegen.

Over de hoogtijdagen van het brouwen in onze streken, de late Middeleeuwen en de zestiende eeuw kan ik qua hopteelt niet zo veel zeggen. Maar tegen de tijd dat de Rotterdamse brouwer Wouter van Lis in 1745 zijn boekje ‘Brouwkunde’ schrijft, lezen we al: ‘Onder alle soorten van Hop om Bier mede te brouwen, is de Luiksche, Vlaamsche en Engelsche de beste.’ Een halve eeuw later lezen we bij zijn Klundertse collega Johannes Buys dat deze alleen Vlaamse hop gebruikt. En al heeft hij met Engelse hop geen directe ervaring, hij heeft wel gehoord dat deze nog krachtiger en beter is dan de Vlaamse. En Nederlandse hop? ‘De Geldersche en Heusdensche oordeel ik alleen dienstig uit hoofde van de minste kosten, in Bier dat versch gedronken word.’

De Leuvense arts Jean-Baptiste Vrancken, die in 1829 een verhandeling over bier schreef, bevestigde dit beeld, een passage uit de dertig jaar oudere verhandeling over Gentse uitzet door dokter Wauters parafraserend. Volgens Vrancken was de hop van Poperinge, Kaprijke en Aalst nog altijd gerenommeerd en gebruikte men in Vlaanderen nauwelijks andere. Echter, ‘de provincies Gelderland en Luik produceren het ook in vrij grote overvloed, maar deze is van een veel mindere kwaliteit dan die van Vlaanderen, en wordt soms gebruikt vanwege zijn lage prijs, voor zwakke bieren die niet bewaard worden.’

Het een en ander duidt erop dat er in de achttiende en negentiende eeuw een levendige handel was in hop uit allerlei streken, met name die uit Vlaanderen, maar de verhandeling over Drentse hop waaruit in de vorige aflevering al geciteerd werd noemt ook hop producerende streken als ‘Duitschland, Engeland, Frankryk, Polen enz. Bohemen is er zelfs beroemd van.’

En wat deden de brouwers? Een kijkje in het archief van bierbrouwerij ‘t Scheepje in Haarlem bevestigt het beeld. In 1825 zien we dat ze er wel Gelderse hop gebruikten, maar alleen voor vers bier. Bij het ‘durabele’ (houdbare) bier kwam uitsluitend Vlaamse hop te pas. Gelderse hop van het voorgaande jaar 1824 kostte de brouwer 10 cent per pond, maar Vlaamse van datzelfde jaar 17 cent, en verse hop van 1825 zelfs 46 tot 60 cent. Die laatste werd enkel gebruikt voor luxe bieren als faro en lambiek. Er was dat jaar ook sprake van een wat ouder partijtje Vlaamse hop uit 1822 en 1823, die nog maar 5 cent per pond kostte.

Een ander leuk kijkje in de keuken geeft de Alkmaarse leerlingbrouwer Johannes Wahlen in 1865. In een paar recepten die nog ontleend zijn aan de vorige eigenaar van de brouwerij, de in 1831 overleden J.C. Witte, is nog wel sprake van ‘Heusdische hop’, maar Wahlen zelf gebruikt die niet meer. In plaats daarvan betrekt hij Vlaamse hop uit Aalst, via de daar gevestigde hophandelaar Cumont-De Clerq. Wahlen vermeldt ook dat zijn Gorcumse collega Eickmans een derde Amerikaanse en twee derde Vlaamse hop gebruikte: ‘de eerste is goedkoop maar doorgaansch niet sterk genoeg alléén gebruikt, vandaar hare vermenging met Vlaamsche.’ Wahlen is ook wel bekend met ‘Beyersche Spalt en Engelsche Kent’, hiervan had men volgens hem het minste nodig omdat ze zo krachtig waren.

Het mag duidelijk zijn dat Nederlandse hop al geruime tijd in laag aanzien stond, gebruikt werd in de goedkopere, vers gedronken bieren en als het even kon vervangen werd door buitenlandse hop, met name uit Vlaanderen. De redenen hiervoor waren onder andere de achterhaalde productiemethoden en de onzorgvuldige manier van werken in Nederland. In 1872 wordt een brouwer geciteerd die tegen een Brabantse hopboer zei: ‘Als u de hop voortaan zo teelt, gelijk dit in het buitenland gedaan wordt, zou ik die van u gaarne met verhoogden prijs willen koopen. Getroost u dan liever wat meer aan arbeidsloon te betalen, dan kunt gij ook nog wat winst in de zak steken.’ Ook waren de hopeesten, waar de hop gedroogd werd, nogal primitief van opzet. De foto’s die er van deze gebouwtjes in de streek rond Heusden bewaard zijn gebleven, tonen eenvoudige stenen huisjes die vaak ook als bakhuis voor brood in gebruik waren.

Interessant genoeg is er in Nederland toch nog meerdere malen geprobeerd de hopteelt serieuzer aan te pakken en er zijn dan ook dikwijls proefnemingen gedaan. In 1856 werd er een proefveld geplant bij Breda, in 1860 in Hatert bij Nijmegen, in 1881 in Soest, in 1882-1884 op landgoed Den Treek bij Leusden en in 1886 in het Westland. Het bleef bij eenmalige experimenten. In de jaren 1859-1864 probeerde de Utrechtse landbouwpionier J.H. Schober het met hop op de heide bij zijn landgoed Schovenhorst bij Putten. Het viel hem nog behoorlijk tegen, niet in het minst omdat hij de hop aan de straatstenen niet kwijt kon: aanvankelijk wilde geen enkele brouwer er een proef mee wagen.

In de jaren dertig kwamen er nog nieuwe pogingen. Om te beginnen in Nederlands-Indië(!), waar het op Java toch te warm bleek. Serieuzer was de proef in Vlijmen, waar de hopteelt dertig jaar eerder verdwenen was. Gesteund door de burgemeester legde de plaatselijke Boerenbond vanaf 1934 een proefveld van 30 are aan. Omdat er ter plaatse geen geschikte hopplanten meer waren, liet men die komen uit België (Hallerton en Tettnang) en Engeland (Fuggles). Er stond in de omgeving nog wel wat wilde hop, maar daar had men nou juist niets aan: de wilde mannelijke planten zouden de geteelde vrouwelijke planten kunnen bevruchten, en bevruchte hop is voor de bierbrouwer over het algemeen waardeloos.

De proeven met buitenlandse hop in Vlijmen vielen tegen. Het harsgehalte was te laag, de kleur niet goed en er waren nog te veel bevruchte en dus te vette hopbellen. Daarom gingen de telers in 1942 toch maar experimenteren met de wilde hoppen die er nog groeiden, om te kijken of er bruikbare tussen zaten. Ook dit leidde niet tot de gewenste kwaliteit. Uiteindelijk, omstreeks 1945, gaf men het maar gewoon op: de hopteelt in Vlijmen verdween voor de tweede keer.

Was dat het einde van Nederlandse hop? Niet helemaal. Wie bier van Nederlandse hop wil drinken, moet gewoon even een Gulpener opentrekken. Sinds 2003 heeft deze Zuid-Limburgse brouwerij zijn eigen hopveld. Ook zijn er andere, kleine initatieven, waaronder niet toevallig in de oude hopdorpen Schijndel en Peize. En anders kun je ook gewoon hop in je eigen tuin zetten en zelf brouwen. Smaakt prima!

 

Illustratie: Hopveld bij Vlijmen in augustus 1939, Streekarchief Langstraat Heusden Altena


4 reacties op “Verloren Bieren – 43 – Nederlandse Hop (2)”

  1. Gerard Kohler schreef:

    Ik heb een aantal jaren geleden wat Australisch Ringwood hop geplant en laten woekeren bij een vriend van me op de boerderij in de kop van Noord Holland. Afgelopen jaar voor het eerst eens geoogst. Zonder stil te staan bij mogelijke besmetting, een week voor botelen handenvol toegevoegd. Tot nog toe met een verrassend resultaat. Na een eerste slok trekt je mond scheef van de bitter, daarna wil je aleen maar meer en meer grote slokken.
    Nog een vraag je verwijst geregeld naar een boek van Wahlenberg dat in het Alkmaarse Streekarchief te vinden zou zijn. Dat is mij nog niet gelukt via http://www.regionaalarchiefalkmaar.nl/

  2. Marc Bruynseraede schreef:

    Beste Roel,

    Heel interessant. Mag ik citaten uit dit stuk gebruiken voor de biografie in de maak over de dichter Jozef Eijckmans, wiens grootvader Josephus Egidius Eijckmans de laatste brouwer was in Gorinchem.
    Ik kijk uit naar de informatie die U hebt over de familie Eijckmans. Vooral de periode na 1865 interesseert me sterk omdat ik daar wat gegevens mis die ik niet in de archieven of historische vereniging van Gorinchem kan vinden.

  3. freek schreef:

    De reputatie van Vlijmse, Gelderse, Luikse en Drentse hop was inderdaad niet best. Toch is er wel een iets andere manier om hier naar te kijken.
    Nu is er in het artikel sprake van de ‘eigen’ hop van Gulpener maar in werkelijkheid is er een kweker die met een contract een bepaalde hoeveelheid hop verbouwd. En zo hebben veel meer, vooral grotere brouwers ‘eigen’ hop, want ook zij hebben vaak leveringscontracten. Ik ken de inhoud van die contracten niet maar vermoedelijk staan er naast volumes ook wel dingen over kwaliteit in.
    Vroeger was dit ook min of meer zo en het is bekend dat de Groninger brouwers de hop uit Peize en omgeving gebruikten voor hun bier, en dat bier had een prima reputatie voor zover ik weet.
    De hopboer die in ‘Over de gedaante, aart en verbouwing der Drentsche hop’ uit 1798 aan het woord is zegt ook iets over de kwaliteit. ‘Daar wordt verschillend over gedacht’ is zijn redelijk subtiele commentaar. En hij weet vermoedelijk als insider hoe het er aan toegaat: de beste en eerste keus gaat naar de Groninger brouwers met een contract, en wat overblijft gaat naar de handel. Deze handelaren mengen de tweede keus hop nog eens met wat bladeren en brengen ze in de handel.
    Op zo’n manier kan de reputatie van een product wel verschrikkelijk slecht zijn, maar er is best aanleiding om dit wat genuanceerd te bekijken. In onze tijd is het precies zo en kun je je dingen afvragen over hop die door contracten wordt gereserveerd en die hop die daarnaast in de ‘gewone’ handel is gebracht.

  4. Chandos schreef:

    Leuk om te vermelden wellicht: ook Brouwerij Us Heit in Bolsward kweekt eigen hop. Afgelopen zomer hadden ze volgens mij een uitstekende oogst.

    Omrop Fryslan heeft er een item over: http://www.omropfryslan.nl/nijs/eigen-hop-voor-us-heit

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *