Verloren Bieren – 43 – Nederlandse Hop (1)

De laatste jaren zien we in Nederland en daarbuiten steeds meer plaatselijke brouwerijtjes opkomen. Kleinschalige initiatieven, met een leuke verscheidenheid aan biertjes. En niet zelden worden ze aangeprezen als een ‘streekproduct’ of ‘typisch voor die en die plaats’. Maar klopt dat wel? Als het al ter plekke gebrouwen wordt, dan komen de grondstoffen bijna nooit uit de directe omgeving, uitzonderingen als Gulpener en Texels daargelaten. Neem nou hop. Als je Nederlandse hop wilt, zul je het zelf moeten verbouwen, want behalve Gulpener teelt niemand het op commerciële schaal. Maar dat is niet altijd zo geweest.

Tegenwoordig wordt de hop voor de hele wereld maar op een beperkt aantal plaatsen verbouwd. Duitsland neemt in zijn eentje een derde van de wereldhopproductie voor z’n rekening, op de voet gevolgd door de Verenigde Staten. Op gepaste afstand volgen onder andere Tsjechië, Polen, Engeland en Frankrijk. En die hopvelden bij Poperinge in België waar je altijd over hoort? Die stellen op internationale schaal niks voor. België blijft qua hoeveelheid ver achter en moet zelfs landen als Japan, Oekraïne en Noord-Korea (!) boven zich dulden.

Maar terug naar Nederland. Toen in de 14e eeuw het bierbrouwen met hop naar ons kwam uit onder andere Hamburg, begon men ook hier met de hopteelt. Met name in het rivierengebied werd hop verbouwd, onder andere in het land van Heusden en Altena en de streek rond Tiel. Zo had de abdij Mariënwaard bij Beesd in het jaar 1530 een ‘hoppener’ in vaste dienst, en werden vier meiden ingehuurd om de struiken langs staken te leiden, en twaalf vrouwen voor het plukken. De hopoogst kon oplopen tot wel 15.000 pond per jaar. Hoewel de abdij ook zelf bier brouwde, werd een groot deel van de hopoogst verkocht naar Holland, voor de stedelijke bierbrouwers daar.

Rondom de grote steden moeten ook hoptuinen bestaan hebben, zo ligt er net buiten het centrum van Utrecht nog een straat genaamd Hopakker. Ook Oegstgeest, Rijnsburg en de Veluwe hebben hopteelt gekend en in de zestiende en zeventiende eeuw ontstond er in Noord-Drenthe een belangrijk hopcentrum: het dorpje Peize en omgeving. De hier geteelde hop ging naar de stad Groningen, maar ook naar gebieden in het huidige Duitsland als Oostfriesland en het graafschap Bentheim.

In 1797 verscheen in Groningen in het ‘Weekblad voor den zoo genaamden gemeenen man’ een verhaal over hop, in de vorm van een gesprekje tussen een stedelijke koopman en een hopboer uit Peize. De boer legt uit dat de hopplanten in kleine bultjes aarde geplant werden, waarna men langs de plantjes staken zette (‘dit is vrouwen werk’) waarlangs de klimplant omhoog kon groeien. De oogst, die meestal rond 5 september begon, was een gebeurtenis op zich. De uitlopers werden losgesneden en binnen op de boerderij werden dan de hopbellen eraf geplukt, wat een intensief maar gezellig werkje was, met name voor de jongere dorpsbewoners. Tot twaalf uur ‘s nachts was men bezig, en het plukken werd besloten met een ‘vrolyken maaltyd van aardappelen en bry… Dat ‘er voorts braaf geklonken en gedronken, gezongen en gesprongen, en allerhande snakeryen bedreeven worden, is ligt te begrypen.’ Wie ooit een wijnoogst in Frankrijk heeft meegemaakt, kan zich er iets bij voorstellen…

Maar dan was men nog niet klaar. ‘Gooit men nu de Hop zoo maar op den zolder neêr?’ Nee, legt het boertje uit, men liet de hop op een ‘paardehairen kleed’ drogen op de eest, een gebouwtje waarin turf gestookt werd. Dit duurde al gauw een maand, zodat de hop pas tegen oktober op zolder belandde, waar het bleef liggen totdat het verkocht werd. De boer vertelt verder nog van de eerste scheuten van de planten in mei, die men plukte en als lekkernij opat: ‘Zy gelyken veel naar aspergies… Men eet ze als salade met olie en azyn of laat ze stooven.’

Een andere, zo mogelijk nog belangrijkere, streek voor de hopteelt was de omgeving van Heusden. Terwijl de hopteelt in Drenthe in de eerste helft van de negentiende eeuw wegkwijnde, ging die hier nog even door. Dorpen als Vlijmen en Nieuwkuijk waren de centra van deze ‘Heusdensche hop’ en aan de overkant van de Maas waren Hedel, Ammerzoden en Nederhemert de producenten van ‘Geldersche hop’. Deze dorpen maakten onderdeel uit van een areaal van hopvelden onder de rook van Den Bosch, want ten oosten van die stad werd er ook hop verbouwd in Schijndel.

Hop verbouwen was overigens niet eenvoudig: de teelt vroeg veel mankracht en veel mest. De prijs schommelde bovendien nogal, zodat het telen van hop een onzeker bestaan was. Zoals we later zullen zien, was er bovendien veel concurrentie van hop uit het buitenland, en de prijzen die de Nederlandse boeren voor hun hop konden beuren kwamen steeds lager te liggen. Rond het jaar 1900 waren de hopvelden dan ook aan het verdwijnen. Werd er in de jaren 1881-1890 nog 159 hectare hop verbouwd, in het decennium daarna nam dat af naar 66 hectare. In 1912 telde Noord-Brabant nog 9 hectare hop, en verder stond er nog 1 hectare in Zeeland. De hopboeren hadden duidelijk niet kunnen profiteren van de hernieuwde belangstelling voor bier in Nederland en daarbuiten.

Hoe dat kwam? Welke hop gebruikten de Nederlandse brouwers dan wél? Daar gaan we volgende keer naar kijken.

 

Illustratie: Jean Bourdichon, Flore houblon, photo.rmn.fr


3 reacties op “Verloren Bieren – 43 – Nederlandse Hop (1)”

  1. freek schreef:

    Een leuk artikel en ‘Over de gedaante, aart en verbouwing der Drentsche hop’ is een mooi document. Zoals je weet ben ik ervoor om naast de onvermijdelijke Amerikaanse trends een meer eigen cultuur in bier te ontwikkelen.

    Wel heb ik een vraag:
    De hopteelt in Nederland verdween terwijl ook wereldwijd steeds minder hop werd verbouwd (zie bronvermelding hieronder). We gaan nu het pils-tijdperk in en er wordt zo min mogelijk hop gebruikt in pilsner.
    Je schrijft:
    ‘De hopboeren hadden duidelijk niet kunnen profiteren van de hernieuwde belangstelling voor bier in Nederland en daarbuiten’
    Dit laatste begrijp ik niet, welke hernieuwde belangstelling?

    Groeten, Freek

    Land- en tuinbouw jaarboek
    Internationale Jaarbeurs der Vlaanderen
    1950

    p.50
    Dit was de toestand rond het begin der 20e eeuw, toen tengevolge
    van een algemene overproductie aan hop, de hopaanplantingen in
    de meeste producerende landen al sterk in omvang verminderd
    waren.

    Duitsland Engeland Frankrijk
    1885 47.390 ha 28.887 ha 5.683 ha
    1900 37.191 ha 20.779 ha 2.851 ha

  2. Roel Mulder schreef:

    Da’s vreemd Freek, want in dezelfde periode verdubbelde de bierproductie in Duitsland, en ook daarbuiten steeg deze. In de VS verdrievoudigde de productie zelfs:

    Bierproductie in miljard liter

    1880
    België 0,924
    Frankrijk 0,823
    Duitsland 3,850
    Verenigd Koninkrijk 4,496
    VS 1,561

    1900
    België 1,462
    Frankrijk 1,071
    Duitsland 7,086
    Verenigd Koninkrijk 6,001
    VS 4,635

    Bron : Swinnen, Economics of beer, p 17.

    Ook in Nederland steeg de productie:
    1880: 1.373.881 hectoliter
    1900: 2.2.06.334 hectoliter

    Bron: Richard Unger, ‘Dutch brewing in the nineteenth century’, in: The dynamics of the international breweing industry since 1800, p. 31.

    Dus hoewel het areaal hop in genoemde landen blijkbaar kromp, steeg de bierproductie. Kwam dit door vergroting van het hopareaal in de VS? Of door minder gebruik van hop in de verschillende soorten beiers/pils/lager?

  3. freek schreef:

    Ik vermoed dat het verschijnsel, naast het ‘weinig hop in pils-effect’, komt door gaandeweg modernere methoden als vacuümverpakking en pelletiseren waardoor veel minder hop nodig is.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *