Aarschot: geen fijner bierke dan een bruine

Niks leuker dan door België rondrijden en zien wat er op je pad komt. Op die manier belandde ik in Aarschot, een stadje van zo’n 16.000 inwoners aan het riviertje de Demer, aan de oostkant van Vlaams-Brabant. Een historische stad met een grote kerk en een begijnhof, waar helaas de twee wereldoorlogen wel een spoor van vernieling door hebben getrokken. Verwaarlozing heeft het erfgoed ook geen goed gedaan, als we af mogen gaan op de manier waarop men de historische ‘s-Hertogenmolens heeft laten vervallen en pas in 2010 heeft gerestaureerd en gemoderniseerd. Maar ik zou hier natuurlijk niet over schrijven als Aarschot geen eigen bier had: de Aarschotse bruine.

‘En vader dronk ‘nen bruine, ha ha, daar is geen fijner bierke dan bruine, ha ha…’ Zo bezong men honderd jaar geleden het bier van Aarschot.[1] De jaren 1880-1940 moeten wel de hoogtijdagen zijn geweest van allerhande stads- en streekbieren in met name (Vlaams-)Brabant en Oost-Vlaanderen. Zoete bieren als Diesters (uit Diest), Zoeg (uit Tienen) of meer zoet-zure bieren als Oud-Zottegems, Duivelsbier (uit Halle) en Jack-Op (een merknaam uit Werchter).[2] Bieren die vervolgens grotendeels verdwenen zijn: de brouwerijen die het maakten waren kleinschalig en ouderwets, de smaak van de drinkers veranderde.[3]

En dan was er dus Aarschotse Bruine. Het zou bedacht zijn door Henri Tielemans, die in 1857 trouwde met een brouwersdochter en zo in de brouwerij van zijn schoonfamilie kwam. Andere bekende Aarschotse brouwerijen waren Valvekens, dat omstreeks 1904 ontstond, en Stoombrouwerij Het Drossaarde, dat er kort voor de Eerste Wereldoorlog al mee ophield.[4]

Twee reclameborden in het museumcafé in Aarschot.In de Demervallei was de Aarschotse bruine een begrip, evenals op plekken waar Aarschottenaren in de kolenmijnen gingen werken, zoals in Beringen in Belgisch-Limburg of Marcinelle bij Charleroi. Het stond bekend om zijn zure smaak, die ontstond door het zes à negen maanden op vat te laten rijpen en daarna met vers bier te mengen. Sommige drinkers gooiden en dan ook een suikerklontje in tegen de zurigheid.[5] De brouwers van Aarschot maakten het, evenals die van het nabijgelegen dorp Betekom, maar ook Jack-Op in Werchter en de brouwerij van Veltem bij Leuven.

Rond 1970 was het uit met de pret: de laatste twee Aarschotse brouwerijen sloten hun deuren, en de echte Aarschotse bruine verdween van het toneel. In 1979 beschreef Wilfried Patroons nog hoe het werd gemaakt: van 30% aromatische mout, 20% tarwe en een weinig overjaarse hop. ‘Voor de gisting werden tonnen van 230 liter gebruikt, “poensels” genaamd. Het brouwsel werd verder versneden met oudere brouwsels, waardoor ook de smaak gevarieerd kon worden.’[6]

Toch is de Aarschotse bruine tegenwoordig weer beschikbaar. In 2012 nam een clubje hobbybrouwers samen met het stadsbestuur het initiatief om het bier weer tot leven te brengen. Locatie werd een gebouwtje op het terrein van het voormalige klooster van de Grauwzusters, waar nog tot 1917 door de zusters bier werd gebrouwen voor de door hen verpleegde zieken en voor henzelf. Enthousiast ging men van start: in het aanpalende stadsmuseum werd een uitgebreide opstelling van bierglazen en andere parafernalia ingericht en in het ‘Bruin Café’ werd het bier geschonken. Als cultureel-toeristisch project, officieel onderdeel van de gemeente (het mag dus met recht een ‘Stadsbrouwerij’ heten), kon er jaarlijks zo’n 10.000 liter gebrouwen worden.

Aan PINT Magazine vertelde brouwer Tony Bries in 2014 hoe de Bruine tot stand komt: men brouwt een normaal bruin bier van pils-, pale ale- munich-, chocolade- en tarwemout met eikenschilfers voor de houttoets. In het mengvat wordt dan een mengsel van melkzuur, azijnzuur en fosforzuur toegevoegd. Het historische alcoholpercentage van ongeveer 4% werd opgehoogd naar 6%.[7]

Dat wilde ik wel eens proeven. Als je tegenwoordig in het museum komt, is de opstelling met glazen echter verdwenen. Het blijkt dat er in de stad een andere politieke wind is gaan waaien, waardoor trots op een mooi alcoholisch product kennelijk niet meer ‘bon ton’ is. Maar brouwerij en café zijn er nog, en dus maakte ik volgens goed gebruik een ‘kopietje van de winkel’, ofwel, ik nam van het hele assortiment er eentje mee.

Dus hoe smaakt dit historische bier? In alle eerlijkheid, ik vond de Aarschotse bruine nogal zoetig en weeïg. Het zuurtje is nauwelijks waar te nemen, het smaakt eerder naar karamel. Men maakt daarentegen ook een Oud bruin, en die is fantastisch: prachtig zuur met een zoete toets, die zich wat mij betreft kan meten met eerbiedwaardige bieren als Duchesse de Bourgogne van Verhaeghe. Dat gold ook voor de Aarschotse bruine Grand Cru: een heel geslaagd bier in de beste traditie van Vlaams bruin.

Biertraditie is ook Aarschot dus nog springlevend, en als de gemeente de Stadsbrouwerij maar gewoon in leven laat, dan blijft het stadje voor de bierliefhebber de omweg zeker waard.[8]

[1] André Delsaerdt et al., Het vorig leven van de Aarschotse bruine, Aarschot 2012.
[2] Vgl. Wilfried Patroons, Bier, Antwerpen 1979, p. 36-37.

[3] Diesters leeft in zekere zin voort als het Gildenbier van Haacht, en brouwerij Boon heeft recent weer een impuls gegeven aan de productie van Duivelsbier.

[4] Delsaerdt, Het vorig leven van de Aarschotse bruine.

[5] Het Laatste Nieuws 26-4-2025.

[6] Patroons, Bier, p. 37.

[7] Peter Kuppers, ‘Aarschotse Bruine. Reïncarnatie van een streekbier’, in: PINT Magazine 203 (augustus 2014), p. 26-28.

[8] https://hetgasthuis.be/stadsbrouwerij


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *