Hopfeesten (2): Nederland

Pannenkoekeneters, Jan Georg van Vliet, 1634 - RijksmuseumIn de vorige aflevering zagen we hoe in België de hopoogst tot ongeveer 1960 met de hand werd gedaan. Eenvoudig werk op het land, maar wel gezellig, en aan het eind was er een gezellig feest op de boerderij. Hoe ging dat dan in Nederland, die hopoogst, toen dat nog bestond? Daar weten we wel iets van. In ieder geval schijnt het best leuk geweest te zijn, zo’n ‘hoplast’ of ‘laars’.

In Nederland is de hopteelt rond 1900 uitgestorven. Voor die tijd lagen de belangrijkste hopvelden bij Heusden en Den Bosch in Noord-Brabant (met name de dorpen Vlijmen, Nieuwkuijk, Schijndel) en net over de provinciegrens in de Bommelerwaard (dorpen als Ammerzoden, Nederhemert en, gek genoeg, Aalst). De voorheen niet onbelangrijke hopteelt in het Drentse Peize en Roden was toen al verdwenen. Verder waren er bescheiden hopakkers in de Betuwe en het noorden van de Veluwe. Al met al was er in 1890 nog 159 hectare hopveld, toen al meer dan twintig keer zo weinig als in België (lees het hele verhaal over Nederlandse hop hier en hier).[1]

De neergang van de Nederhop had alles te maken met het lage aanzien ervan: het werd niet gezien als van hoge kwaliteit, en dat was het ook niet. Al in de achttiende eeuw gaven Nederlandse brouwers de voorkeur aan hop uit Vlaanderen of nog verder weg. Nederlandse hop was goedkoop en ging enkel in goedkoop gebrouwen, vers gedronken bier. Met name de eenvoudige eesten deugden niet, en een Franse hophandelaar merkte dan ook op: ‘Votre houblon sent la fumée’ (‘Uw hop ruikt naar rook’). De Nederhop verdween. In de jaren 1930 ondernam men in Vlijmen weer een poging om de teelt nieuw leven in te blazen, maar tevergeefs.[2]

Hop in Peize - Weekblad voor den zoo genaamden gemeenen man, 1797.Hoe ging het oogsten (en het feest) in zijn werk? In Drenthe groeide de hop uit bulten (vreemd genoeg ‘hoppekuilen’ genaamd) langs twee houten staken van ‘gemeenlyk agt of negen voeten lang’. Enkele dagen voor de oogst sneed men de planten op manshoogte door, liet ze nog een paar dagen zo drogen, en haalde ze daarna pas in huis. Binnen gingen, volgens een in de mond van een Drents boertje gelegd verslag uit 1797, ‘terstond verscheidene mans en vrouwen de bellen er af plukken, en het dorre loof als stroo aan de beesten geeven.’ En het ‘jonge volk’ had daar maar wat pret van: de buurjongens en meiden plukten ’s avonds mee, wat ‘dan voor twaalf uuren in den nacht niet eindigt, en met een vrolyken maaltyd van aardappelen en bry beslooten wordt. (…) Dat er voorts braaf geklonken en gedronken, gezongen en gesprongen, en allerhande snakeryen bedreeven worden, is ligt te begrypen.’ Daar had ik best bij willen zijn…[3]

In de Bommelerwaard groeide de hop wél uit kuilen (zij het waarschijnlijk met een bult mest erop), ook weer langs staken. Volgens een verslag uit 1840 werden bij de oogst op de rijkere boerderijen naast de gezinsleden ook een paar ‘Meijersche of Noord-Brabandsche vrouwen’ ingeschakeld, soms samen met hun echtgenoten. De ranken werden ook hier van de staken naar binnen gehaald. Op de dorsvloer ging men in een kring op lage stoelen zitten, met de hopranken in het midden. ‘Niet alleen elk lid der familie, maar ook menige vriendelijke buur’ kwam erbij, nam een hele struik op schoot en vulde al plukkend een hoge mand. Ondertussen werd ‘levendig gepraat, verhaald of ook wel eens gezongen’ waarbij de vrolijke ‘Brabanderinnen’, met hun kwinkslagen dikwijls ‘algemeen hartelijk gelach’ uitlokten.[4]

Hoppluk op de boerderij - Bron: Hopmuseum PoperingeTijdens het plukken at men op de hopeest gedroogde citroengele appels, raaimakers of manappels genaamd, naar de oven, die ‘man’ werd genoemd. Naar verluidt waren ze heerlijk, ‘waarschijnlijk komt dit van den hop, daar er althans enige geur van aan is.’ Helemaal mooi werd het als de drie à vier weken durende pluk gedaan was: men zorgde er altijd voor om de laatste dag niet al te veel werk te hebben, om van de laatste middag een dolle boel te kunnen maken. ‘Dan komen nog eens de buren en vrienden, die vroeger geholpen hebben, bijeen, plukken nog een paar struiken en verzinnen verder allerlei vrolijke bedrijven en spellen, om den avond genoeglijk door te brengen.’ De vrouw des huizes zorgde na een ‘goede boeren koffijtafel’ voor lekkere pannekoeken ‘van tarwemeel, met melk eijeren en gist beslagen en die met boter en stroop gegeten worden.’

Dit feest, om niet opgehelderde redenen ‘De Laars’ genoemd, werd ‘steeds door zinrijke grappen, geestige scherts en kluchtige gezelschapsspelen veraangenaamd’ en eindigde zonder (naar verluidt) in dronkenmanspartijen te ontaarden ‘steeds vrolijk en vergenoegd’. Ook dit feestje had ik wel eens mee willen maken!

Boer en boerin uit Noord-Brabant, 1805 - Bron: Rijksmuseum

In Noord-Brabant groeide de hop eveneens aan staken en werd de hop binnenshuis of in de schuur geplukt, onder het zingen van het lied: ‘Zuip maar op, zuip maar op, honderd gulden geldt de hop’. De schoolvacanties waren aangepast aan de pluktijd en ook hier zat men tot laat in de schuur bij een olielamp in een grote kring op stoelen met buren, familie en vrienden. ‘Al plukkende wordt de tijd versleten met het zingen van liederen, het vertellen van anecdoten of het laten hooren van kwinkslagen en geestige gezegden, terwijl zoo nu en dan eenige versnapering wordt rondgedeeld.’ Sterker nog, naar mate de avond vorderde ‘werden er griezel- en spookverhalen verteld.’ Deze helpers werden onthaald op aardappelen met rodekoolsla en ‘mulke pap’ (karnemelkse pap).[5]

Ook hier werd er op de laatste avond feestgevierd. ‘Dan wordt er lustig gedronken, terwijl de leemen vloer der schuur in een oogenblik in een danszaal wordt herschapen.’ Het feest heette hier de ‘hoplast’,  ‘waar jongens en meisjes elkaar ontmoetten, waar het lustig toeging’ en viel naar verluidt samen met de kermis. Tijdens het feest werd er ‘geklonken en gedronken, gesmuld en gedanst’. Een onderwijzer uit Nieuwkuijk herinnerde zich later: ‘De ‘Zeuven’, een ouderwetsche dans met zeven figuren werd uitgevoerd. En als de prijs in de dagen van den pluk tot f 100 en hooger was gelopen (…) trok men gearmd en juichend en zingend door de straten en leek het kermis.’[6]

Een andere herinnering vertelt dit over het feest: ‘Schoolkinderen kon men hierbij niet gebruiken, dit was meer een feest voor de oudere jeugd. Dan werd er royaal getracteerd. Al naar gelang de hopprijs, ging de fles brandewijn veelvuldig of matig rond en voor men opbrak om het bed op te zoeken werd eerst nog een bord rijstepap met suiker gegeten.’[7]

Hopoogst in Vlijmen, 1940 - Bron: Streekarchief Langstraat Heusden AltenaIn de jaren dertig, toen de hopteelt nog even terugkeerde naar Vlijmen, ging het wat anders toe. Voortaan groeide de hop aan draden net als in Poperinge, en werden de bellen op het land geplukt. In een septemberzonnetje zaten de pluksters en plukkers genoeglijk bij elkaar op stoelen en kisten: ‘Men kan bij het werk praten en lachen en plagen of zwijgen.’ Eén van de pluksters merkte op dat het wel jammer was dat het geen bessen waren ‘dan zou je er af en toe een wat in je mond kunnen steken.’[8] Maar dit heeft dus niet lang geduurd: na 1945 was het afgelopen met de Vlijmense hop.

Tja, en het leuke is dus, dat terwijl tegenwoordig in het buitenland met machines geoogst wordt, die kleine gaardjes in Nederland (onder andere in Zuid-Limburg voor Gulpener, in Odijk voor Hommeles, in Bolsward voor de Friesche, en zo nog een paar) met de hand geplukt worden, door vrijwilligers. Eigenlijk is dat de echte oude manier, behalve dat mensen vroeger betaald werden natuurlijk.

Ze gebruiken dus vrijwilligers? Ja, dat betekent dat je kunt meedoen! Afgelopen zondag was het al bij Hommeles, maar vraag eens bij een van de andere hoptuinen. Wie weet sta je dan ook een dag heerlijk buiten, in het zonnetje zonder computer of telefoon aan je hoofd. En wellicht na afloop ook wat rijstepap, pannekoek of brandewijn?

[1] Evert de Jonge, ‘De hopteelt in Gelderland (15e-19e eeuw). Het telen, oogsten, eesten en verhandelen van een ingrediënt’, in: Bijdragen en Mededelingen Gelre. Historisch Jaarboek voor Gelderland CIII (2012), p. 69-81; Middelburgsche courant 4-4-1914.

[2] Vgl. Wouter van Lis, Brouwkunde, Rotterdam 1745, p. 63-64; Jacobus Buys, De bierbrouwer, Dordrecht 1799, p. 25-26; Provinciale Noordbrabantsche en ’s Hertogenbossche courant 6-4-1935; zie ook http://verlorenbieren.nl/verloren-bieren-43-nederlandse-hop-2/.

[3] ‘Over de gedaante, aart en verbouwing der Drentsche hop’, in: Weekblad voor den zoo genaamden gemeenen man no. 49, Groningen 1797, p. 387-394; M.A.W. Gerding et al. (red), Encyclopedie van Drenthe, Assen 2003, p. 427.

[4] ‘Het Hopfeest’, in: Geldersche Volks-almanak 6 (1840), p. 14-20.

[5] Het nieuws van den dag 13-10-1885, 21-11-1901; Provinciale Noordbrabantsche en ’s Hertogenbossche courant 6-4-1935; Echo van het Zuiden 16-10-1959.

[6] Het nieuws van den dag 21-11-1901; Provinciale Noordbrabantsche en ’s Hertogenbossche courant 6-4-1935; De Sumatra post 30-12-1939; De Tijd 15-9-1943.

[7] Echo van het Zuiden 16-10-1959.

[8] Noordbrabantsch dagblad het huisgezin 17-9-1941.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *