Verloren bieren 35 Luiks Bier

Het is 1747. De vestingstad Bergen op Zoom wordt belegerd door de Fransen. Bommen vallen op de stad neer en onderaardse gangen liggen vol buskruit om de wallen laten springen. De rest van Nederland leeft mee met de geteisterde stad en zendt hulp. Vlaardingen stuurt een schip met haring, Hazerswoude 220 vette schapen, Rotterdam Rijnse en andere wijnen, en inwoners van s-Hertogenbosch sturen ‘250 tonnen Luiks Bier van zeven Guldens de ton, zo als t aldaar gebrouwen wierd.

Luiks bier in Den Bosch? Jawel. ‘Dagelyks word ‘er zeer goed bier gebrouwen’, schrijft men in 1791 over die stad, ‘naar den smaak van t spelten bier, dat men te Luik heeft. Om die reden wordt ’t Bosch [bier] Luiks bier genoemd.’ En de Bosschenaren stonden daarin niet alleen. Al in 1711 adverteert de Delftse brouwerij ‘Het Wapen van Luyk’ dat ze aan de Oostpoort ‘zeer smakelyk goed en deugzaem Luiks bier’ brouwen. In 1718 duikt Luiks bier (net als het Loender van de vorige aflevering) op in een lijst met in ‘Zuriname’ beschikbare bieren, en in 1726 lezen we dat op de door de VOC beheerste Banda-eilanden, onderdeel van de Molukken, naast Hollands bier, Mom en ‘keurlyke Wynen’ ook Luiks bier overvloedig gedronken wordt.

Luiks bier, dat dus al sinds minstens 1711 gewoon in Nederland gebrouwen werd, komen we de hele achttiende eeuw tegen in allerlei teksten. ‘Dat loopen naar de kroeg Dat zuipen van Luiks Bier, dat rooken, snuiven, bruijen Maakt Pietjes Griet zo dol als een bezeeten zwyn’, lezen we bijvoorbeeld in 1726 in het schertsende boekje Arlequin distelateur. Of wat te denken van de Amsterdamse hoedenstoffeerder Cornelis van Loenen, waarvan zijn plaatsgenoot Jacob Bicker Raye bij diens overlijden in 1745 schreef: ‘alweer een groot liefhebber van Luiksch bier overleden.’

Kortom, Luiks bier was in 18e-eeuws Nederland een bekende biersoort waar te pas en te onpas naar werd verwezen. Maar zoals dat bij goed historisch onderzoek hoort, roept elk antwoord weer een nieuwe vraag op. Want wat was er zo bijzonder aan bier uit Luik dat men het zo graag dronk en nabrouwde? Was Luik zo’n bierstad dan? En was Luiks bier elders ook zo populair?

Nu lukte het vanaf mijn keukentafel in Nederland niet zo gauw om even een boek te vinden waar de hele biergeschiedenis van Luik in staat, maar ik heb wel iets. Om te beginnen is Luik een oude stad en in tegenstelling tot wat Nederlanders altijd denken, heeft het een sfeervol oud centrum. Luik was tot 1795 een zelfstandig staatje, een prinsbisdom met een bisschop aan het hoofd. Een van de bezittingen van dit staatje was overigens Hoegaarden, een Luikse enclave in Brabant waar de bierbrouwnijverheid een hoge vlucht nam: in tegenstelling tot de Brabantse buurdorpen hoefde het Luikse Hoegaarden namelijk geen hoge accijnzen af te dragen.

Over het bier van Luik zelf vond ik zo gauw enkel 19e-eeuwse informatie. ‘In Luik brouwt men twee soorten bruin bier’, schreef de Leuvense wetenschapper Jean-Baptiste Vrancken in 1829, ‘jong bier dat men direct na het brouwen drinkt, en seizoensbier, dat enkel in het koude seizoen wordt gebrouwen en dat min of meer lang bewaard moet worden voordat het gedronken kan worden.’ De ingrediënten van dit Luiks bier waren tarwe en spelt, waarvan alleen de spelt werd gemout. Het seizoensbier werd gebrouwen van november tot aan maart en kon een jaar of langer bewaard worden. Daartoe werd het ook sterker gehopt en langer gekookt, 15 à 16 uur in plaats van de gebruikelijke twaalf. 

En inderdaad biervrienden, jullie hebben het goed geraden, dit ‘seizoensbier’ uit Luik is inderdaad de voorloper van de saison die we nu kennen. Was het bij Vrancken nog een bruin bier, in de omschrijving van bierprofessor Georges Lacambre in 1851 was het al een ‘nogal amber’ bier. Tegenwoordig kennen we saison meer als een donkerblond biertje van voornamelijk gerstemout, maar het algehele idee is nog aanwezig.

Nu terug naar Nederland. Na 1800 moet de populariteit van de Nederlandse variant van Luiks bier achteruitgelopen zijn, we komen het dan nog maar sporadisch tegen. Maar gelukkig hebben we ook nu weer de gegevens van brouwerij ’t Scheepje in Haarlem om ons meer te vertellen over hoe het hier werd geproduceerd. 

Om te beginnen zien we in Haarlem dat ook daar twee soorten Luiks bier gebrouwen werden: vers en ‘durabel’ (houdbaar). In 1825 werd de verse soort gebrouwen van bruinmout en Gelderse of Vlaamse hop, waaraan wat ‘zwart’ werd toegevoegd, vermoedelijk een kleurstof. De durabele variant was een zwaarder bier, waarvoor kleurstof blijkbaar niet nodig was. Van spelt is niets te bekennen, hooguit van een paar mud ongemoute tarwe of een paar jaar eerder, in 1817, havermout. Interessant is dat Luiks durabel geproduceerd werd ruwweg van oktober tot en met april, vergelijkbaar dus met de houdbare seizoensbieren in Luik zelf. Al met al lijkt het erop dat ze in Haarlem ook gewoon saisons maakten

Luiks bier heeft het in Haarlem niet lang meer uitgehouden. In 1850 treffen we het Luiks durabel nog maar twee keer tussen de brouwsels van dat jaar aan. Het werd toen van bijna evenveel blank- als bruinmout gemaakt. Wel vinden we daar informatie over de kooktijden: zo werd het Luiks durabel op 27 april van dat jaar 14 uur gekookt en na aanlenging van een gedeelte daarvan nog eens 8 uur om er kuit en ladderbier van te maken. Drie dagen later werd een nieuwe storting met vergelijkbare kooktijden verwerkt tot o.a. minnebier en spuitbier voor de kermis van Krommenie. 

Dat (vermoedelijk vers gedronken) kermisbier was een van de laatste vermeldingen van in Nederland gebrouwen Luiks bier. In 1856 stond het nog op een verkooplijst van ‘Rotterdamsche bieren’ in Leiden, tegelijk met de laatste vermelding van Loender. Daarna moest je gewoon weer naar Luik als je Luiks bier wilde.

En daarmee gaat Verloren Bieren de zomer in. Tot na de vacantie!


3 reacties op “Verloren bieren 35 Luiks Bier”

  1. Marcel Plaatsman schreef:

    Een bekend verloren bier, ik kwam het zelf ook al in verschillende bronnen tegen.
    Bij Le Francq van Berkhey (18e eeuw) vond ik deze anekdote:

    Eenige jaaren geleeden, had men, voor groot geld, een goed getal Weevers, Spinders, Droogscheerders, en ander Werkvolk, naar Spanjen gelokt, om de Laken-Fabriek aldaar te vestigen: dan zy keerden wel dra te rug. En als men de zulken vroeg, wat redenen hen bewoogen, om een Land te verlaaten, daar ze besten Spaanschen Wyn konden drinken, ruim teeren, en grof Geld winnen, ja als Heeren leeven? was het antwoord; wy missen onze Gebuuren, onze Leidsche Kaas en Boter, en ons oud Luiksch Bier; geevende dus te kennen, hoe zy liever, by hunne Vrienden en in hun Vaderland, van een geringer bestaan, en in gulle vryheid zig geneeren wilden, dan in Spanjen pragtig en in weelde leeven.

    Kennelijk ervoer men dit bier dus echt als iets eigens, vaderlands.
    Dezelfde schrijver geeft nog een interessante uiteenzetting over de Nederlandse drankcultuur in de jaren 70 van de 18e eeuw, met ook veel informatie over jenever, maar uiteraard ook bier:

    “Wyders behoort onder de algemeene Dranken der Natie, die onder haar eigen zyn, en uit s Lands voortbrengsels bereid worden, bovenal het Bier.”

    Hierop volgt een uitleg over het mouten en het eesten, met nog de opmerking dat men in Amsterdam en Dordrecht vaker haver- en speltmout gebruikt. Voor het brouwen gebruikt men rivierwater. Men voegt hop en soms scharlei toe en uiteindelijk in de “geilkuip” de gist. Er is veel variatie:

    “Voorts hebben, hier in, veelerleie soorten van bereiding, en verschillende trappen van uitkooking, plaats; waar uit dan een groot verschil van kragt en geestrykheid der Bieren ontstaat. Dit onderscheid is zoo veelvuldig, dat men t in andere Landen, daar men geene Hollandsche Bieren kent, ligtlyk voor beuzelpraat zoude agten, als men zeide, dat er bykans zoo veel onderscheiden Bieren, als voornaame Steden zyn; ja dat zelfs in ééne en dezelfde Stad verschillende soorten, van onderscheiden kragten en smaak, gebrouwen worden; ten pryze van drie tot veertig Guldens het vat.”

    De veelheid van bieren was dus typisch voor deze streken. Die veelheid beschrijven was onbegonnen werk, verzucht de schrijver. Hij beperkt zich tot een korte opsomming:

    “De een brouwt goed Luiks, en de ander goed Loender, zoo als men te Leyden en Haarlem zegt; deeze goed wit, en geene goed bruin, of Princessebier, zoo als men te Amsterdam spreekt, als mede zwaar Rotterdammer en Bredas of Bremerbier, gelyk men t bykans overal noemt. Alle deeze en soortgelyke onderscheidingen hangen grootlyks af van het meer of minder afkooken, of lugtig aftrekken; van waar dan ook dun en dik Bier; dat, naar t kooken, en t byvoegen van ingredienten, in kleur en smaak verschilt; daar sommigen het door Hop en Scarlei bitterder; anderen het door Drop en Zoethout zoeter; en eenigen het, door t afkooken van Ossenpooten, en andere stoffen, scherper maaken.”

    Beneden de Moerdijk brouwt men, het klinkt bekend, zeer smakelijk bier met te veel alcohol en te veel kunstgrepen:

    “In Brabant en Vlaanderen weet men, door veelerleie toebereidingen, ongemeen lekkere Bieren te brouwen, dog ze zyn, in t dagelyksche gebruik, te geestryk, en voor iemand, des ongewoon, zeer koppig. Ook worden deeze en meer andere zoogenoemde kunstige bereidingen, by onze goede Bierbrouwers, weinig geacht; en men houd zuiver Bier, van Graanen, voor het beste.”

    Door bier langer te laten rijpen neemt het alcoholpercentage toe, weet onze zegsman te melden. Oud bier is, net als wijn, beter dan jong, maar het is zeldzaam.

    “Men vind onder de Hollanders nog al Liefhebbers van oude Bieren; doch men houd ze evenwel zeldzaam, (enkele proeven tel ik niet,) langer dan één Jaar; en veeltyds slegts een half Jaar. Men noemt ze dan veelal belegen Bieren; en spreekt van nieuw of oud Loender, nieuw of oud Luiksch, naar den tyd, dien ze gelegen hebben.”

    Al te zuur bier was kennelijk onwenselijk, men brouwde niet in de zomer om zuur bier te vermijden:

    “Hier by komt nog, dat onze Zomerhette, welke schielyk vat heeft op de gesting, de Bieren sterker zuuren doet.”

    De zomer was de tijd voor de azijnbereiders, niet voor de brouwers, voegt Francq van Berkey nog toe.
    Bier werd tegen het einde van de 18e eeuw steeds minder gedronken, maar het blijft toch wel een algemene drank bij het eten en onder werktijd. Uiteraard drinkt men het ook in de biercafés, maar niet als men van stand is:

    “Uit dien hoofde vind men overal hier te Lande een onnoemelyk getal van Bierhuizen; welke men te Leyden, en elders, Vaantjes noemt; om dat ze, als vroeger gezegd is een houten Vlagje, of Vaantje, voor de Deur hebben hangen. Te Amsterdam zyn het gewoonlyk Bierkelders, voor welken een bordje, met de woorden, Maarts- en November-Bier, Bremer, Rotterdammer, Mol, enz., uithangt. Het Bierdrinken in zulke Huizen is, alhoewel zoo gemeen niet als van ouds, egter onder den laagen Burgerstand nog niet geheel buiten gebruik; doch de toeneemende gewoonte van Wyn te drinken, gepaard met de staatiger leevenswyze in t algemeen, heeft er voor een braaf Burgerman, eene zekere schande aan gehegt. Een deftig Burger, die het maar even en zeer krap van zyne winst kan afknypen, gaat om zyne fles; en schaamt zig te zeggen dat hy om een pintje Bier gaat; waar tegen, in voorige dagen aanzienlyke Heeren, ja te Leyden de Professoren en Doctoren gewoonlyk om een pintje Bier gingen.”

    Kennelijk is de lagere waardering van bier dus in de achttiende eeuw echt doorgedrongen, later dan ik zelf dacht. Een jammere ontwikkeling die we pas twee eeuwen later succesvol weten te keren, maar niet nadat de veelheid aan stijlen verloren is gegaan.

    De link, tenslotte: http://www.dbnl.org/tekst/fran011natu03_01/fran011natu03_01_0020.php

  2. freek schreef:

    @Roel
    de voorloper van de saison die we nu kennen
    waren naar mijn idee bieren als Meuselaar en Val uit de 16e eeuw (en mogelijk ook eerder). Zij werden in het Veld by de Hoyers of Maayers, en aldaar gebragt in groote Kruyken, kleine Tonnekens ofte Stoopkens.

    @Marcel
    Een jammere ontwikkeling die we pas twee eeuwen later succesvol weten te keren
    Ik hoop inderdaad dat we het tij kunnen keren, maar het succes is bepaald nog geen uitgemaakte zaak. Voorlopig is het toch buitenlandse bierstijlen met buitenlandse ingrediënten van voornamelijk onbestemde herkomst. En een hoop flauwekul zoals bier waar eigenlijk ongeveer 80% gemoute haver in hoort te zitten en toch naar origineel recept met voornamelijk gerst en wat muesli-vlokken wordt gebrouwen. Er is nog een hoop te doen en ik hoop dat je weer mee wilt werken…

  3. Roel Mulder schreef:

    Mooi verhaal, Marcel! Met schaamrood op de kaken moet ik bekennen dat ik het boek van Berkhey wel had gevonden maar nog nauwelijks had bestudeerd. Feitelijk is het naast de twee brouwboeken van Van Lis (1745) en Buys (1799) de belangrijkste bron over 18e eeuws bier tot nu toe.
    In Haarlem zijn trouwens nog wel wat archiefstukken beschikbaar over 18e-eeuws bier, daar moet ik nog eens induiken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *