Verloren bieren 30 Peeterman

En nu naar Belgiës grootste bierstad: Leuven. Jawel, die universiteitsstad een half uurtje ten oosten van Brussel, waar de zetel staat van s werelds grootste megabrouwconglomeraat, Anheuser-Busch Inbev. Een bedrijf dat in 1366 begon, geen geintje.

Het groeide de afgelopen eeuw uit tot het monsterverbond dat we nu kennen, en dat met biermerken heen en weer schuift als pionnetjes op een schaakbord. Zo brouwen ze tegenwoordig in Duitsland Oranjeboom voor Australië, en in Leuven maken ze een ‘Hollands’ bier genaamd Dutch Gold voor Ierland. Dat laatste doen ze onder de naam Zuid-Hollandsche bierbrouwerij, een Haagse brouwerij die in werkelijkheid al in 1974 is opgedoekt.

Hoeveel brouwerijen en biermerken heeft Stella Artois / Interbrew / Inbev door de jaren heen al de nek omgedraaid? De lijst is ongetwijfeld eindeloos. Maar het opvallendste bier dat ze van de markt lieten verdwijnen is toch wel het eigen Leuvens bier, de Peeterman. De wat? In het jaar 1778 schreef het Algemeen huishoudelijk natuur zedekundig en konstwoordenboek: ‘Peeterman, is de naam van een zoort van Wit-Bier, ’t welk zeer kragtig is, weinig uitgegest en te Leuwen in Braband word gebrouwen; het zelve is van een aangenaame smaak, dog maakt ligt dronken.’ Kijk, ook Leuven had zijn eigen Verloren Bier.

In 1834 beschreef de Engelsman David Booth vervolgens de ‘method of brewing at Louvaine’. Volgens hem werd ‘Pieterman’ gemaakt van een derde gerstemout en twee derde rauwe, ongemoute tarwe. Hiervan werd, in een ingewikkkeld proces met meerdere werkkuipen en ketels, peeterman, tafelbier en klein bier getrokken. De gerstemout werd niet op een eest gedroogd, maar simpelweg door het op een zolder uit te spreiden en er de wind langs te laten blazen, een methode die we in Nijmegen al zagen voor de mol. Volgens Booth was peeterman ‘brown-coloured, pretty strong, and has a mixed taste of bitter and sweet.’ Maar vooral was het bier troebel en dik. En zuur, de gist behield namelijk ‘something of the sour taste which is peculiar to all the beer that is brewed in Louvaine’.

In 1851 verscheen dan het boek van Georges Lacambre, die zelf jaren brouwingenieur was geweest bij de Leuvense Société des Brasseries Belges en nu doceerde aan de ‘Ecole centrale des arts en manufactures’ van Parijs. Hij beschrijft hierin meerdere Belgische en ook wat Franse, Duitse en Nederlandse bieren, maar het is een wat rommelig boek. In ieder geval schrijft Lacambre dat de afgelopen 25 jaar het Leuvens bier hard in kwaliteit was achteruit gegaan, ‘mensen van vroeger zouder het niet herkend hebben.’

Volgens Lacambre bestond peeterman voor 40% uit gerstemout en 60% uit ongemoute tarwe, vergelijkbaar met de cijfers van Booth. Hij had wel andere ideeën over de kleur ervan: ‘De peeterman is een geel, altijd sterk amberkleurig bier, dat veel extract bevat, vooral dextrine, die het zo honingachtig en aangenaam van smaak maakt, wanneer het goed wordt bereid.’ Het kon ’s zomers na drie à vier weken gedronken worden, ’s winters na zes à acht, en verzuurde snel. Net als Booth vermeldt Lacambre dat het een troebel bier was, pas op de lange termijn werd het helder. Om het klaringsproces te bevorderen werden ook wel kalfsbotten of stokvis(!) toegevoegd.

Het leuke is, dat de Belgische historicus Raymond van Uytven, onder andere schrijver van het lollig getitelde werk De geschiedenis van de dorst, over de drinkgewoonten van Belgen door de eeuwen heen (tegen de verwachting in niet eens zo’n heel dik boek), over het snel verzurende peeterman schrijft dat het grosso modo niet veel verschilde van het vijftiende-eeuwse Hollandse kuitbier. ‘Meteen blijkt hoeveel de Leuvense bierindustrie op technisch gebied aan het Hollandse voorbeeld dankt.’ Lezen de heren van de Campagne Nederlandse Bierstijlen mee?

Was peeterman lange tijd een populair bier, in de twintigste eeuw ging het rap achteruit met deze biersoort. De laatste plaats waar het nog gemaakt werd was de Leuvense brouwerij De Eendracht. Tegen die tijd had peeterman de naam een bijzonder zuur bier te zijn: de drinkers gooiden er zelfs suikerklontjes bij om het drinkbaar te maken! Dat luidde het einde in: Stella Artois had De Eendracht al voor de Tweede Wereldoorlog opgekocht. Nu iedereen steeds zoeter bier ging drinken, werd deze laatste peetermanbrouwer in 1974 gesloten. Later, in de jaren tachtig, lanceerde Stella het peeterman nog eens, maar omdat men inmiddels ook Hoegaarden had opgekocht, werd besloten dit enigszins vergelijkbare bier de hoofdpositie op de markt te geven. Peeterman verdween weer uit de roulatie.

Maar goed, je weet nooit: misschien laat Inbev de peeterman nog een keer in Mexico brouwen voor Zweden. Of in Rusland voor Algerije. Of in Canada voor Hawaii. Of…

 

Voor het recept, zie: http://barclayperkins.blogspot.nl/2009/05/brewing-in-leuven-in-1830s.html

Illustratie: mijnleuven.blogspot.com


11 reacties op “Verloren bieren 30 Peeterman”

  1. Marcel Plaatsman schreef:

    Zou dit het bier zijn dat Victor Hugo bedoelde, toen hij schreef dat het Leuvense bier de zoetige nasmaak van dode muizen had?

    Jammer is het natuurlijk wel. Leuven is een stad met een grote brouwerij, maar eigenlijk zonder levende brouwgeschiedenis. Tenzij je natuurlijk gelooft dat Stella echt uit 1366 komt.

  2. Hans Ebbing schreef:

    Otto Erdmann schreef in 1829 dat de Leuvense peeterman in zijn tijd al in niets meer leek op wat het ooit was. Volgens hem was het ooit een zoet, zacht, aromatisch bier dat veranderd was in een zoetzuur bier, trocknend en hoofdpijn veroorzakend. Kennelijk hadden de Leuvense brouwers, om wat voor reden dan ook, in de 19e eeuw ook moeite om de vroegere kwaliteit te handhaven.
    Hij beschrijft ook een stort van gerstemout (luchtmout), ongemoute tarwe en ook een kleine hoeveelheid ongemoute haver. De volumes die hij noemt ken ik niet, maar zijn vast zo op te zoeken. Hij noemt voor 100 Fass Bier, 140 Maas Malz van 50 pfund, 104 Maas Weizen en 15 Maas Malz. Dit is voor het Leuvense bier, maar de peeterman had dezelfde stort, hoewel een iets andere brouwwijze. Viktor Hugo bedoelde misschien het Leuvense export bier dat de smaak van dode muizen had. Gezien de diepe teleurstelling van Otto Erdmann over de smaak en kwaliteit van de peeterman, kan hij ook best de peeterman bedoeld hebben. Toen het goed gebrouwen werd moet het heerlijk zijn geweest. Ik ben benieuwd hoe het gesmaakt heeft.

  3. freek schreef:

    Hans schrijft hierboven:
    om wat voor reden dan ook, in de 19e eeuw ook moeite om de vroegere kwaliteit te handhaven.
    Die vermindering van kwaliteit lijkt me belangrijk en is iets dat je veel tegenkomt. Het had meen ik een heel aantal redenen die ik in een artikel (link hieronder) signaleer en probeer te beschrijven. Maar het is ook een bron van misverstanden omdat velen er van uit gaan dat het bier in de loop van de tijd steeds beter werd en dus denken dat het bier vóór de 19e eeuw nog slechter moet zijn geweest. Ondanks de industrialisatie, pasteur, etc. werd het bier slechter en ik ben benieuwd hoe anderen hier naar kijken.

    http://witteklavervier.nl/nl/historie/1750-1950/bier-in-de-19e-eeuw

  4. Hans Ebbing schreef:

    @Freek
    Erdmann zelf zocht ook naar redenen voor de verslechtering van veel bieren in zijn tijd. De hoge graanpijzen (Die Zeit von Theuerung) zag hij als een tijdelijke oorzaak, omdat die prijzen ook weer zakten. Een mogelijke oorzaak die hij aanvoert komt mij wat vreemd over, maar de brouwers onder jullie misschien niet. De smaak van de lokale bieren werd flink beïnvloed door de grote afbraak in de 19e eeuw. Doordat de middeleeuwse steden door sloop, kap en nieuwbouw op grote schaal volkomen van vorm aan het veranderen waren verdween wat hij noemt de lokaleinfluss. De smaak van het bier was ook afhankelijk van de plek waar het gebrouwen werd. Als die plek veranderd, veranderd ook de smaak.
    Tenslotte zegt hij dat de goede smaak van het bier voor een groot deel bepaald werd door de kleine brouwers, en dan bedoelde hij de bazen van allerlei uitspanningen waar gedronken werd die zelf of samen bier brouwden. Omdat het bier niet meer zo gewild was door de smaakverandering liet deze groep het brouwen over over aan de grotere brouwers, waardoor het, volgens Erdmann, zijn eerdere goede eigenschappen helemaal verloor. Hij had geen hoge dunk van grote brouwers.
    Het is duidelijk dat Erdmann ook zoekende was naar verklaringen voor de verslechtering van de smaak van bieren. Wat er van klopt kan ik niet bepalen, maar duidelijk is dat hij een verklaring zocht in de verandering van de 19e eeuwse samenleving zelf.

  5. freek schreef:

    Bedankt Hans, een hele mooie gouden tip deze Erdmann, ik zit het nu te lezen. Overigens ook met Lambik aus Hafer oder Buchweizen, maar dat terzijde.

    Journal für technische und ökonomische Chemie
    Volume 4 (Google eBoek)
    Otto Linné Erdmann
    1829

  6. Hans Ebbing schreef:

    Had ik ook gezien, maar dat behoort weer tot een andere discussie 🙂

  7. Roel Mulder schreef:

    Interessant te zien dat niet alleen in Nederland de bierkwaliteit daalde in de negentiende eeuw, althans in de perceptie van de mensen die toen leefden. Ik dacht dat dat enkel in Nederland was.

  8. Hans Ebbing schreef:

    Mogelijk dat door schaalvergroting en industrialisatie de ambachtelijke brouwers een stap terug moesten doen en er kennis verdween. Aan de andere kant moesten de grote brouwers misschien kennis opbouwen over hoe je lekker bier brouwt met een geïndustrialiseerd proces. Misschien is het inderdaad hoofdzakelijk perceptie van mensen in een snel veranderende wereld. Een hele hoop misschiens, daardoor wel een mooi onderzoeksveld.

  9. freek schreef:

    Verreweg de belangrijkste oorzaak van de verminderde kwaliteit was m.i. de enorme armoede van die tijd en dat gold voor zowel de noordelijke als de zuidelijke Nederlanden. Beide waren speelbal van buitenlandse mogendheden en werden uitgeplunderd. Daarnaast verdwenen de ambachten en kwam daar slecht betaalde fabrieksarbeid of werkeloosheid voor in de plaats. Bier was voordien een volksdrank geweest, maar het volk had geen geld meer.
    Er zijn erg goede voorbeelden die dit illustreren zoals de brouwer die begint met een groot scala van verschillende prijzen met steeds verder verdunt bier. Of de brouwer die adverteert met ik kan mijn bieren niet nog verder verminderen.
    Er was ook een voorbeeld van een brouwerij die probeerde te concurreren op kwaliteit; zij hebben het niet gered. Kwaliteit kost altijd geld en dat was er niet.
    Het verhaal van Erdmann en de andere verklaringen vullen deze hoofdoorzaak nog eens aan. Ik zie de misschiens dus niet zo, het is juist erg duidelijk.

  10. Hans Ebbing schreef:

    Een citaat van http://www.canonsociaalwerk.eu/nl/details.php?cps=21

    Er werd in de volkscafés van 19e-eeuws Nederland onvoorstelbaar veel gedronken. Van het toch al karige loon verdween een te groot deel in de geldla van de kroegbaas. Omstreeks 1880 was de consumptie van sterke drank bijna 10 liter per hoofd van de bevolking. Amsterdam spande de kroon: 15 liter per hoofd van de bevolking, babys en nonnen meegerekend. Per 146 inwoners had de hoofdstad een kroeg of tapperij. De kroeg was voor veel arbeiders hun enige vermaak. Hun werk was zwaar, hun huizen te klein, te vochtig en te vol met kinderen.

    Er was inderdaad niet veel geld onder de arbeidende bevolking, maar alcoholisme was desondanks een probleem in een groot deel van de 19e eeuw. Goedkope brandewijn en jenever zullen de voorkeur hebben gehad boven bier voor de snelle roes.

  11. Roel Mulder schreef:

    Het grootste probleem voor bier was volgens mij de concurrentie van koffie, thee, chocola en jenever, gecombineerd met een gebrek aan innovatie en handelsgeest bij de brouwers. Maar het is een hele studie om e.e.a. goed te onderbouwen, zeker omdat het in het buitenland, waar de bierconsumptie hoger was, ook speelde. Het blijft vreemd: in de zeventiende eeuw was Nederland een van de grootste brouwersnaties, in de achttiende eeuw viel alles als een kaartenhuis in elkaar. Waarom? Materiaal voor een scriptie of promotie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *