Verloren Bieren – 44 – 20e eeuws Franciscanenbier

We hebben het natuurlijk al eerder gehad over abdijbier. We kennen allemaal de smakelijke producten van de verschillende trappisten, maar verder is er, en dan met name in België, heel veel ‘abdijbier’ op de markt dat alleen in naam aan een klooster is verbonden. Abdijbier dat wordt geproduceerd door commerciële brouwers, waaronder een paar internationale giganten als Heineken en Inbev, en waar hoogstens elk jaar een gepeperd bedrag aan licentierechten wordt overgemaakt aan de kloosters waar de bieren naar genoemd zijn.

Het onderliggende misverstand is natuurlijk dat kloosters altijd dé producenten van bier waren voor de markt. Maar sinds minstens de dertiende eeuw ligt die taak al bij de stedelijke (en dorpse) commerciële bierbrouwers. Maakten kloosters dan nooit bier? Jawel hoor. Maar voor eigen gebruik. Ook in Nederland.

In de tijd van de Franse Revolutie werden de laatste paar kloosters op het huidige Nederlandse grondgebied opgeheven. Een van de kloosterorden die zich in de eerste helft van de negentiende eeuw weer op Nederlandse bodem kwamen vestigen, waren de Franciscanen. Deze monniken, die zich ‘minderbroeders’ noemen, volgen het voorbeeld van de heilige Franciscus van Assisi, die in het dertiende-eeuwse Italië in strikte armoede leefde en veel volgelingen kreeg.

Na de oude kloosters van Megen en Weert weer betrokken te hebben, stichtten de Franciscanen nog meer vestigingen in Nederland. Hier werkten de monniken hard om in hun eigen levensonderhoud te voorzien, met een eigen tuin, bakkerij en dus ook een bierbrouwerij. Echter niet zoals bij de trappisten om dit bier ook buiten de kloostermuren te verkopen. Het bier was voor eigen consumptie. Maar wat voor bier dronken die monniken dan? De lezer ziet zijn gedachten alweer afdwalen richting kostelijke dubbels en tripels…

In het archief van de Nederlandse Franciscanen, dat op het Utrechts Archief wordt bewaard, bevinden zich gegevens over een aantal van die kloosterbrouwerijen. Zo vroeg het Franciscanenklooster aan de Tongerseweg in Maastricht op 29 april 1890 aan de gemeente om een vergunning om een aantal percelen ‘te mogen verbouwen en tot bierbrouwerij in te richten’. Een paar jaar later, in 1898, vroeg de pastoor van Woerden hetzelfde voor het Franciscanenklooster dat daar gebouwd ging worden. Bij zijn aanvraag zat een plattegrond met daarop ingetekend de ketel, de roerkuip, de lekbak en de stookplaat. Voor het in 1925 grotendeels afgebrande klooster in Venray werd bij de herbouw ook weer in een brouwerij voorzien.

Geen kinderachtige brouwketels waren het bij de Franciscanen, van zo’n 38 tot 43 hectoliter. Ter vergelijking: populaire brouwerijen als Jopen, De Molen of ‘t IJ moeten het doen met ketels van 20 à 25 hectoliter. Des te groter is de verbazing als we zien hoeveel de monniken eigenlijk brouwden. In 1920 brouwde het klooster in Venray maar vier keer. In 1935 was dat in Weert 7 keer, maar het klooster in Nieuwe Niedorp (Noord-Holland), dat toch ook zo’n grote ketel had, maakte op dat moment maar 2 brouwsels per jaar. Het lijkt erop dat de monniken hun brouwinstallatie het grootste deel van het jaar ongebruikt lieten. In Venray waren in de brouwerij dan ook niet meer dan twee personen nodig, en de kloosterbrouwerij in Nieuwe Niedorp noemde zichzelf een ‘eenmanszaak’.

En wat voor bier maakten de Franciscanen dan? De archieven bevatten hier wel wat informatie over, zoals accijnsopgaven en veel administratie uit de jaren dertig, toen in verband met de economische crisis veel importbelasting op brouwgerst werd geheven die de brouwers, ook de kloosters, dan vervolgens weer konden terugvragen. Om maar meteen met de deur in huis te vallen: heel sterk was het bier van de verschillende Franciscaner kloosters niet. Zowel in Venray, Nieuwe Niedorp als Weert had het een stamwortgehalte van 4,2 à 4,3 Belgische graden, dat is ongeveer 10,5 graden Plato. Ter vergelijking: het huidige Oud bruin van Heineken heeft een gehalte van 9,2 Plato, hun pils een van 11,8. De monniken brouwden dus iets wat daar tussenin hangt, van ongeveer 4% alcohol. Het meeste weten we van Venray, er valt daar uit de gegevens iets te destilleren wat je een recept zou kunnen noemen.

In 1920 vulde het Venrayse klooster een ‘telkaart’ van het CBS in met allerlei relevante gegevens. Per brouwsel stortte men 400 kilo gerstemout en 6 kilo Beierse hop. Het bier werd volgens eigen opgave bovengistend gemaakt. Vervolgens is er een accijnsopgave uit het voorgaande jaar, 1919, bewaard gebleven. Daar zien we dat een brouwsel 22 hectoliter bier opleverde met een stamwortgehalte van 4,2 graden Plato. Het gebruikte mout was, zo zien we in een opgave aan de Brouwgerst­importcommissie eind jaren dertig, enkel licht mout. Voilà, alles wat je nodig hebt om een origineel Nederlands kloosterbier na te brouwen…

Bij de andere Franciscaner kloosters zien we een vergelijkbaar beeld. Weert bestelde in 1936 bij de importcommissie 860 kilo pilsmout en 40 kilo caramelmout, dus hun bier was iets donkerder. Het klooster in Woerden omschreef zijn bier in 1940 als ‘lager bier’ maar gezien de aanwezige bescheiden installatie zal ook dit bovengistend bier geweest zijn. Toen gedurende de Tweede Wereldoorlog het graan steeds schaarser werd, zien we dat in Venray naast gerst bij het brouwen suiker werd gebruikt.

Juist vanwege de vele administratie in verband met de crisismaatregelen zijn de gegevens in de jaren dertig het volledigst. Hoe het de Franciscaner kloosterbrouwerijen na de oorlog is vergaan is daarentegen lastig te zeggen. Weert was al met brouwen gestopt in 1936, en van Venray, Nieuwe Niedorp en Woerden is van brouwactiviteiten na 1945 zo gauw niets te vinden.

Een laatste levensteken is in Maastricht, waar een accijnsopgave uit 1958 bewaard is gebleven. In 1962 zetten de monniken echter ook daar hun brouwerij definitief stil. Nog het jaar daarvoor ontvingen de paters naar aanleiding van een ‘bijzonder prettig onderhoud’ een aantal kratjes van de Leeuw-brouwerij in Valkenburg, om uit te proberen. We moeten er maar van uitgaan dat de monniken vervolgens gewoon Leeuw-pils dronken. Economisch was het niet meer zinnig om zelf bier te willen brouwen. Vervolgens kwamen de jaren zestig, met zijn ontkerkelijking die de kloosters liet leeglopen, maar dat is weer een heel ander verhaal…


8 reacties op “Verloren Bieren – 44 – 20e eeuws Franciscanenbier”

  1. Edo schreef:

    In het voormalige Karmelietenklooster in Zenderen (tussen Almelo en Hengelo) is tot begin jaren 50 gebrouwen. Voor zover ik weet puur voor eigen gebruik.

  2. feek schreef:

    Bij een ‘Keuring van voedingsmiddelen’ in 1891 werd het Trappistenbier uit Tilburg geanalyseerd, dat voor een sensatie had gezorgd op de Nederlandse biermarkt:
    SG 1,014
    Alc. 3,55 Vol.%
    Extract 5,16 %

    Vorige week bezocht ik de Spencer brouwerij in de VS gesitueerd op een groot en mooi landgoed; hagelnieuw, top-kwaliteit en niet zichtbaar in bedrijf. Lijkt op een investering in duurzame productiemiddelen. De bijzonder open en vriendelijke trappist vertelde dat men een visie op zelfvoorziening had voor de komende vijftig jaar. Men maakt zich daar niet druk, in ieder geval niet om het halen van de deadline voor deze maand.

  3. Ton Schamp schreef:

    Brouwerij ‘t Slotje zoals de brouwerij van de franciscanen genoemd werd in Alverna, gemeente Wijchen stopte in 1959 met brouwactiviteiten.

  4. T0n schreef:

    Bijzonder dat dat adbijbier zo laag % heeft in vergelijking met de trappistenbieren. Is dat verschil te verklaren door religieuze verschillen? Of de ora et labora mentaliteit i.r.t. hard werken en drinken (zie http://www.standaard.be/cnt/dmf20150118_01480590)?

  5. Roel Mulder schreef:

    Hallo Ton, ik denk dat het verschil in alcoholpercentage komt doordat het ‘Franciscanenbier’ voor intern gebruik werd gemaakt. De trappisten brouwden voor de consumentenmarkt, waar nou eenmaal meer vraag was naar sterkere bieren. Vandaar ook dat de twee Nederlandse trappistenbrouwerijen, Koningshoeven en Tegelen, ondergistend brouwden.

  6. Marc Bruynseraede schreef:

    Beste Roel,

    Heb je ook informatie over de “Verloren Bieren” van Eijckmans & Van Renesse uit Gorinchem en van de Brouwerij Phoenix uit Amersfoort. Kan er achterhaald worden wat Phoenix precies uitgevoerd heeft naar Suriname in de jaren 1903 en volgenden, toen Franciscus Eijckmans invoerder was in Paramaribo voor de bieren van Phoenix uit Amersfoort ?

    Vriendelijk dank bij voorbaat en beste groeten,

    Marc Bruynseraede

  7. Roel Mulder schreef:

    Een rectificatie was voor dit stukje wel op zijn plaats. Ik schreef aanvankelijk dat het Franciscanenbier heel slap was, volgens de accijnsopgave zo’n 4,2 à 4,3 graden Plato, wat uitkomt op een tafelbier van 1 à 2 % alcohol. Dat klopt niet: in de jaren twintig en dertig werd in Nederland de accijns berekend op basis van Belgische graden (elke graad is een honderdste achter de komma van het stamwortgehalte (OG), dus 4,2 Belgische graden = 1.042 OG). Belgische graden herkennen we ook terug in biernamen als Rochefort 10 of Westvleteren 12.
    Franciscanenbier was 4,2 à 4,3 Belgische graden = ca. 10,5 Plato. Een stuk sterker dus dan ik aanvankelijk dacht! Ik heb de webmaster het artikel laten aanpassen.

    • Pim schreef:

      Roel, de tekst is maar op 1 plek aangepast. In de alinea “En wat voor bier” staat nou 10,5 graden Plato, maar in de alinea daaronder “In 1920” staat nog steeds 4,2 graden Plato!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *