De memoires van Jef Lambic

Titelblad van Les mémoires de Jef Lambic.De Pottezuyper. De Brommelpot. De Kwaksalver. Krott & Compagnie. Het zijn zomaar wat kroegtypen die een geheimzinnige Brusselaar beschrijft in zijn Mémoires de Jef Lambic. Een in 1958 verschenen boekje dat in het teken staat van bier, kroegen en vooral ‘zwanze’: de typische humor van Brussel. En dat allemaal in het decor van gaslicht en paardentram van de 19e eeuw. Een merkwaardig boek dat je in meerdere lagen uit elkaar moet pluizen, want: wie heeft het nou eigenlijk geschreven en wat is ervan waar?

Twee liter lambiek dronk hij per dag, een liter faro en een liter tafelbier. Over zijn hele leven moet hij in totaal 160.000 liter Brussels bier hebben gedronken, zo rekent Jef Lambic voor. Toch werd hij er 91 jaar mee, als we zijn memoires moeten geloven. En dat is nou net de vraag, bij dit boekje. Kijk, ik wil alles weten van de geschiedenis van Belgisch bier en dus lees ik alles wat los en vast zit. Brouwerijgeschiedenissen, brouwboeken, biografieën, streekgeschiedenissen, hopkronieken. Maar Les mémoires de Jef Lambic is een categorie apart. Is het fictie, is het echt, kunnen we er wat van leren of is het een grote berg verzinsels?

'Jef Lambic in zijn zondagse jas met kraag van schapenwol', Les mémoires de Jef Lambic p. 7.1958 was het jaar dat in Brussel de Wereldtentoonstelling werd gehouden en België definitief het atoomtijdperk binnenstapte. Maar datzelfde  jaar verscheen bij uitgeverij ‘La technique belge’ in diezelfde plaats Les mémoires de Jef Lambic.[1] Volgens de inleiding betreft het een manuscript dat bij sloopwerken aan de Brusselse Kapucijnenstraat werd gevonden in een leeg biervat. Het schrijfsel was gewikkeld in roze jarretels en zou van de hand zijn van ene Jef Lambic, geboren op 1 april (!) 1860 en overleden in 1951. Op zijn oude dag zou de auteur zijn herinneringen aan het frivole kroegleven van Brussel in zijn jonge jaren hebben opgeschreven.

'De kelders van de brouwerij van Auguste Lambic', Les mémoires de Jef Lambic p. 17.Zijn vader was brouwer in diezelfde Kapucijnenstraat, zelf werd hij ambtenaar op het bureau voor hypotheekbewaring, maar dat belette hem niet om zich dagelijks naar de kroeg te begeven en zich daar te vermaken met drank en vrouwen. Met enige weemoed kijkt hij jaren later terug naar de tijd dat een glas faro 12 cent kostte, dat Brussel nog 300 bierstekers kende en dat er één kroeg was op elke 13 huishoudens. Op nieuwjaarsavond maakte de kroegbazin haar ‘calibabou’: warme lambiek met een geheim mengsel van suiker, rum, kaneel, kruidnagel en geklopte eieren. Een onschuldige tijd van kwajongensstreken en in het voorjaar uitstapjes naar nabijgelegen dorpjes, dorpjes die nu allang door de stad zijn opgeslokt.

In 1962 bezong Jacques Brel het Brussel van de 'belle époque'.Brussel was toen ‘oh la la en olijk’, met strohoeden en kantparasols zoals Jacques Brel ze nog zou bezingen (en in vertaling Liesbeth List). Een tijd dat de ‘baes’ het bier koud uit de kraan kon laten stromen doordat er een staaf ijs in de pomp was aangebracht. De ‘meekes’ brachten het bier, het liefst natuurlijk een stevige lambiek, naar je tafel. Het was een tijd dat de Franse taal in Brussel definitief heer en meester werd, al praatten velen thuis nog het oude Vlaamse dialect, waarmee het Frans dan ook nog regelmatig werd doorspekt. De straatnaamborden vermeldden potsierlijke Franse vertalingen van de oorspronkelijke Vlaamse namen, zoals het Vestje dat ‘Rue du Petit Rempart’ werd, de Warmoesberg heette ineens ‘Rue Montagne aux Herbes Potagères’ en de Wolvengracht ging voortaan door het leven als ‘Rue du Fossé aux Loups’.

Uit de maffe manier waarop het manuscript zou zijn ‘gevonden’,  de onwaarschijnlijke naam en de geboortedatum 1 april, is wel af te leiden dat Jef Lambic een fictief persoon was. Maar, veel anekdotes die hij vertelt lijken wel degelijk een grond van waarheid te hebben. Een paar makkelijk te checken verhalen, zoals het bezoek van de Hawaïaanse koning Kalakaua aan een Brusselse kroeg, of het bestaan van het geheimzinnige humoristische genootschap de Agathopèdes, berusten in de een of andere vorm op ware gebeurtenissen.[2] Ook de practical joke in de vorm van een veilingcatalogus vol met zeer zeldzame boeken, die een horde verzamelaars naar het carnavalsstadje Binche lokte, heeft echt plaatsgevonden.[3]

'Een typische baes: ernst, waardigheid, kalmte...', Les mémoires de Jef Lambic p. 22.Want grappen en grollen, daar hielden ze in Brussel van. Les mémoires de Jef Lambic puilt uit van de ‘zwanze’: een intelligente vorm van humor die in dit boek vooral de gedaante krijgt van het bakken van allerlei poetsen. Een aardig voorbeeld uit het boek is de pispot die jarenlang op een plank stond in de kroeg Le Diable au Corps in de Koolstraat. Een pispot die enkel werd gebruikt als er weer eens een paar boertjes van buiten de stad zich in het café hadden gewaagd. Waren deze eenmaal aan een tafeltje gezeten, dan haalde de ‘baes’ van de kroeg de pispot stiekem tevoorschijn en vulde deze met blond bier en wat stukjes ontbijtboek. Vervolgens verstopte de serveerster de pot onder haar grote zwarte jurk, begaf zich naar de boertjes en ‘ontdekte’ daar met veel misbaar de pispot onder de tafel. Waarop de baas uitriep: ‘Och arme! Ons menneke heeft weer in het café gespeeld!’ En hij riep dan zogenaamd naar zijn vrouw: ‘De kleine heeft zijn pispot weer eens tussen de benen van de klanten laten staan!’

'Mie Tette en haar man Pitje Mugge', Les mémoires de Jef Lambic p. 32.De vaste klanten wisten dan allang welk spel er werd gespeeld, en een van hen kwam er dan bij en griste de pot uit de handen van de serveerster, grommend: ‘Wat is dit? We laten hier niets verloren gaan!’ En hup, hij nam een slok van jewelste uit de pot, en daarna was de volgende vaste klant aan de beurt, die na een slok uitriep: ‘Voilà, dat krijg je in het beste restaurant nog niet!’ Maar tegen die tijd was het boertje allang hikkend de kroeg uitgevlucht…

Les mémoires de Jef Lambic is een leuke inkijk in een verdwenen wereld, kortom. Maar dan rest nog de vraag: door wie is het geschreven en hoeveel berust er op waarheid? Omdat het boek is geïllustreerd door de Brusselse tekenaar Robert  Desart (1898-1981), is wel aangenomen dat hij ook de schrijver is, onder andere door de website lambic.info die zijn logo aan het boek ontleent. Maar dat weet ik zo net nog niet: Desart was geen schrijver, tenminste niet van dit soort uiterst komische teksten als ik mij niet vergis. De meeste van zijn tekeningen sluiten bovendien nauwelijks aan bij wat er in de tekst verteld wordt. Tot slot is Desart wat jong om de tijd die in het boek in zulk prachtig detail beschreven wordt ten volle te hebben meegemaakt. Dat geldt ook voor een paar van zijn kompanen, die wel veel over Brussel schreven zoals Louis Quiévreux (1902-1959) en Jean d’Osta (1909-1993).

'Een comptoirpisser', Les mémoires de Jef Lambic p. 77.Nee, volgens mij moeten we veel eerder kijken naar Curtio, pseudoniem van de Brusselse veelschrijver George Garnir (1868-1939), een ‘maître-zwanzeur’ die het 19e-eeuwse kroegleven aantoonbaar wél heeft meegemaakt.[4] Niet in het minste omdat… een aantal van zijn teksten letterlijk in Jef Lambic zijn overgenomen. Curtio’s beschrijvingen van typische caféklanten als de brommelpot, de frucheleer (een vrolijke bemoeial) en ‘Krott et Compagnie’ (een aanduiding voor een gezin met jengelende kinderen) werden al in 1906-1907 gepubliceerd in boekvorm en in de krant, en zijn sindsdien vele malen herdrukt.[5] Ook grappen over een ‘piswijf’ (toiletjuffrouw’) of over de Rue de Merode (een straat in Brussel vernoemd naar een oorlogsheld, maar hier toegewezen aan Cléo de Mérode, beroemd variétédanseres) komen zowel in Jef Lambic als bij Curtio voor.[6] Sterker nog, Curtio zelf figureert onder zijn echte naam George Garnir in het boek van Jef Lambic![7]

Er is natuurlijk wel één probleem: toen Jef Lambic in 1958 uitkwam, was George Garnir al bijna twintig jaar dood. Maar misschien… is het verschijnen van het boek zélf wel een staaltje van ‘zwanze’? Wie weet, had Garnir het manuscript al klaarliggen, maar had hij bepaald dat het pas ver na zijn dood mocht worden uitgebracht, met hoogstens een paar summiere verwijzingen naar de actualiteit (onder andere de naoorlogse premier Paul-Henri Spaak wordt kort genoemd) ertussen gefrommeld? Of heeft een anonieme naoorlogse bewerker zich op diverse teksten van Curtio/Garnir gestort en ze aan elkaar gebreid? Of komt het gros van de tekst uit een andere pen en heeft men slechts Garnir op een paar plaatsen botweg (of met toestemming) geplagieerd? Hebben Quiévreux en d’Osta eraan gewerkt?

Het blijft een raadsel. Maar dat hoort ook, bij een goede zwanze. Uiteindelijk is Jef Lambic vooral een geslaagde grap.

1] Robert Desart (illustraties), Les mémoires de Jef Lambic, Brussel 1958.
[2] Jef Lambic, p. 46, 70-73; Journal de Bruxelles 29-07-1881; https://fr.wikipedia.org/wiki/Soci%C3%A9t%C3%A9_des_agathop%C3%A8des

[3] https://www.canvas.be/canvas-curiosa/de-fortsas-hoax

[4] Curtio, Le petit brusseleir illustré, Brussel 2010, p. 7.

[5] Meerdere malen herdrukt, o.a. als Zievereer Krott & Cie Architek. Baedeker de physiologie Bruxelloise, en als bloemlezing onder de naam Le petit brusseleir illustré. In de krant o.a. Le soir 7-2-1907, 16-3-1907; Le petit bleu du matin 16-4-1907. Vergelijk ook: https://vimeo.com/88982244

[6] Jef Lambic, p. 49, 83; Curtio, Le petit brusseleir illustré, p. 10, 91-92.

[7] Jef Lambic, p. 87.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *